Leeftijdsbepaling 

Voor de invoering van het verplicht chippen van paarden was het juist kunnen bepalen c.q. inschatten van de leeftijd van groot belang. Zeker om de waarde van het dier vast te kunnen stellen.

Leeftijdsbepaling van het paard kan a.d.h.v. de snijtanden in de onderkaak. Door de natuurlijke slijtage en levenslange eruptie van de snijtanden kan door de aanwezige kenmerken op de tanden een schatting gemaakt worden van de leeftijd.

Voor het vaststellen van de leeftijd wordt er gebruik gemaakt van de volgende parameters:  

 

 

I1 (middelste snijtand) 

I2 (tussenliggende snijtand) 

I3 (buitenste snijtand) 

Doorkomen melktand

Eerste week

4 tot 6 weken

6 tot 9 maanden

Wisselen

2,5 jr.

3,5 jr.

4,5 jr.

Occlusie*

3 jr.

4 jr.

5 jr.

Verschijnen tand-ster

5 jr.

6 jr.

7-8 jr.

Verschijnen witte stip

7-8 jr.

9-11 jr.

11-13 jr.

*Occlusie: contact tussen onder en boven tand; tussen moment van wisselen en occlusie zit ca 6 maanden.

Echter leeftijdsbepaling a.d.h.v. het ondergebit is GEEN exacte wetenschap. Hoe jonger het dier, des te nauwkeuriger is de leeftijd te bepalen. Boven de 6 jaar wordt de bepaling steeds onnauwkeuriger.

 

Andere leeftijdsafhankelijk kenmerken:

Als er wolfstanden doorkomen, komen deze tussen de 8 en 18 maanden door.

De hengstentand komt tussen de 4,5 en 5 jaar door. De hengstentand wordt ook wel ruinentand of haaktand genoemd. Ook merrie's kunnen deze haaktanden krijgen, vaak zijn deze veel kleiner dan bij hengsten/ruinen.

Overige indicatoren die bij de bepaling meegenomen worden zijn, het verdwijnen van de kroonholtebodem, de stand van de voortanden en de vorm van het snijvlak.

Algemeen kan men aanhouden dat vanaf het 18e levensjaar de kroonholte is verdwenen en alleen nog de tand-ster zichtbaar is op het snijvlak. Dit is echter een zeer indicatief gegeven.

Naar mate het paard ouder wordt veranderd de stand van de voortanden van steil naar aflopend.

Door de veranderende stand van de tanden verandert ook de vorm van het snijvlak. Deze gaat van ovaal naar vierkant naar rechthoekig. Aan zowel de stand van de tanden als de vorm van het snijvlak kan echter geen exacte leeftijd gekoppeld worden.

Het afslijten van de tanden is van meerdere factoren afhankelijk. Allereerst zijn er de genetische rasverschillen, daarnaast heeft het soort rantsoen en een eventuele stalondeugendheid, invloed op de slijtage. Ook mogelijke gebitsafwijkingen maken de leeftijdsbepaling onnauwkeuriger of soms zelfs onmogelijk.

Ook bestaan er van oudsher “fabeltjes”. Het al dan niet aanwezig zijn van een haak op de buitenste snijtanden (I3) en/of de aanwezigheid van een groeve op deze snijtand (groeve van Galvayne) zijn kenmerken die vroeger meegenomen werden bij de leeftijdsbepaling. Dit zijn onbetrouwbare indicatoren; zo is bij de helft van alle paarden deze groeve niet aanwezig.